Home arrow EgocoachingĀ® arrow Reportage Flair
Reportage in Flair PDF Afdrukken E-mail

Onderstaande reportage verscheen februari 2006 (nr.5) in de Flair

‘We huppelen door het gras en dan begeeft mijn hart het…’
Flairs Ineke gaat in regressietherapie

Regressie, reïncarnatie, terug naar een vorig leven… Het klinkt allemaal spannend, maar heb je er ook wat aan? Precies op het moment dat Flair besluit om hier een reportage over te maken, biedt regressietherapeut Ron Kemink spontaan zijn diensten aan. Redactrice Ineke gaat op zijn aanbod in.

De grappen zijn niet van de lucht als ik thuis vertel dat ik voor Flair een regressietherapie zal ondergaan. ‘Wedden dat jij in een vorig leven hofnar was?’, giechelt een vriendin. ‘Hopelijk niet eentje die bij de koning uit de gratie viel’, fantaseert mijn man vrolijk mee. ‘Jaha, en dat ze je toen verhangen hebben!’ En bedankt. Zelf wil ik liever geloven dat ik een prinses was die met wapperende rokken op een groot wit paard over de velden galoppeerde. Met een zootje knappe prinsen in haar kielzog natuurlijk. En daar hebben we meteen vooroordeel nummer één te pakken: Iedereen die in regressie gaat, ontdekt dat hij of zij in een vorig leven een sensationeel bestaan leidde. Niet dus, helpt regressietherapeut Ron Kemink (een zachtaardige veertiger zonder baard en met gewone, katoenen sokken aan) mij uit de droom tijdens onze eerste kennismaking. In de 9 jaar dat Ron dit werk doet, heeft hij juist opvallend veel ‘gewone’ mensen langs zien komen. “Vaak komen we niet eens uit bij vorige levens, maar bij ervaringen in dít leven”, vertelt hij. “Een trauma uit de vroege jeugd kan iemand parten blijven spelen. Vaak zie je dat iemand een emotie die zij bijvoorbeeld als vierjarige voelde, nu nog net zo hevig ervaart, terwijl zij inmiddels volwassen is.”
Ik vermoed dat zoiets bij mij ook speelt. Zo lang ik me kan herinneren ben ik overgevoelig, vooral waar het gaat om afscheid nemen. Als kind vond ik dat al niet echt tof, maar als volwassen vrouw vind ik het helemaal gênant. Wanneer mijn kinderen bij opa en oma mogen logeren, zwaai ik ze altijd huilend uit. Zó erg dat mijn kleuterzoontje een keer medelijdend zei: “Zal ik dan maar thuis blijven, mam?” Met mijn verstand weet ik dat mijn verdriet overdreven groot is voor de situatie, maar ik kan het op zo’n moment niet beheersen. Het zou me niet verbazen als daar een jeugdtrauma aan ten grondslag ligt. Maar wil ik eigenlijk wel weten wat? Want als ik straks in trance ‘te zien krijg’ welke gebeurtenis voor mij zo dramatisch was, heb ik er dan niet een probleem bij? Ik voel er weinig voor om me met terugwerkende kracht zielig te voelen om iets wat ooit gebeurd is. Maar volgens Ron kun je er wel degelijk wat mee: “Door de emotie opnieuw te beleven, kun je er afstand van doen en daarna ben je ervan verlost. Mensen ervaren dat vaak als een opluchting. Ze kunnen eindelijk zijn wie ze echt zijn.” Dat klinkt goed. Bijna te mooi om waar te zijn. Ik ben inmiddels erg nieuwsgierig, maar de eerste sessie is alleen een kennismaking. Bij mijn volgende bezoek zal ik in trance gaan.

Een week later stap ik Ron’s kamer weer binnen. De zenuwen gieren door mijn keel. Wat zal er zo meteen op me af komen? Ik verwacht geen scène uit een vorig leven, eerder een peuterdramaatje.
Gauw vuur ik nog wat vragen op Ron af. Heeft iedereen meerdere levens? Voor Ron is dat geen harde waarheid, maar het lijkt hem wel de meest logische verklaring van de werkelijkheid: “Ik ga ervan uit dat dingen met een reden gebeuren, namelijk om ervan te leren. En ik zie dat reïncarnatietherapie effect heeft.” Kom je in elk leven weer dezelfde mensen tegen? Ron denkt van wel: “Niet voor niets voel je bij sommige mensen zo’n sterke aantrekkingskracht of herkenning.” Waarom houden mensen emoties uit hun jeugd of uit een vorig leven vast? “Vaak is het een overlevingsmechanisme dat hen aanvankelijk geholpen heeft”, legt Ron uit. “Wanneer je als klein kind met succes bent weggevlucht voor je boze vader, blijf je dat vluchtgedrag toepassen. Later kan zo’n mechanisme je gaan beperken. En dan is het zinvol om er iets aan te doen.”

Goed. Genoeg gepraat. Het wordt tijd om mezelf over te leveren aan Ron. Ik neem plaats op het matras en doe mijn ogen dicht. Ron vraagt me om te denken aan een afscheidsmoment met mijn kinderen. Ik voel er niet meteen emoties bij, maar als Ron me het woord ‘controle’ laat herhalen, lukt het me om het denken stop te zetten en mijn intuïtie te volgen. Het woord ‘verlies’ komt in me op en plotseling zie ik mezelf als tweejarig meisje aan mijn moeders rok hangen. Meteen komen de tranen. Ik ben bang dat mama weggaat en ik huil dat ze moet blijven. Dit is dus een trance, bedenk ik ondertussen. Het is net een droom, alleen slaap ik niet. Ik ben me er continu van bewust dat ik met de regressie bezig ben. Het is wel zo ongeveer wat ik ervan verwacht had. Dat het gênant is om hier als een peuter te liggen janken, verdring ik voor het gemak maar even, want anders ben ik bang dat ik weer uit de trance floep. Ik wil weten waarom die peuter zich zo druk maakt, maar ik kom niet verder. Ron stelt vragen en herhaalt wat ik zeg. Het is hard werken. Als Ron vraagt wat er onder het verdriet zit, weet ik meteen: spijt. Een beetje een flauwe emotie, vind ik, maar ik zeg het toch maar hardop. Als Ron vervolgens vraagt of er personen aan ‘spijt’ vastzitten, gaat het ineens snel. Dit gaat over mijn kinderen, weet ik, maar niet mijn kinderen in dít leven. Ik zie een zoontje van vijf en een dochtertje van twee (goh, net zo oud als mijn zoontjes nu), die naast me staan en me bezorgd aankijken. Ik lig in het gras. Ik lig dood te gaan. Dit is heftig! Ik ga dood en laat twee kleine kinderen achter. Ron vraagt of ik kan zien wat er daarvoor gebeurd is. Als in een droom beleef ik alles. Hoe we huppelen door het gras, veldbloemen plukken en een vlinder ontdekken. Ik heb een lichtblauwe jurk aan met een lekker wijde rok en een mintgroene schort erover. Mijn kindjes graaien graag met hun handjes in die schort, weet ik, op zoek naar koekjes. Mijn naam is Cindy (beetje tuttige naam, vind ik. Had ik vroeger niet een nep-Barbie die zo heette?) en ik draag een mand met bloemen aan mijn linkerarm. Die is niet zwaar, maar toch begint mijn arm te tintelen. Dat doet hij in mijn huidige leven ook, ik vermoed vanwege een vastzittend spiertje in mijn schouder. Maar in deze herbeleving weet ik dat het getintel het begin van het einde is. Mijn hart begeeft het. (Dat is frappant: twee jaar geleden lag ik in het ziekenhuis met hartritmestoornissen, maar de cardioloog heeft nooit een oorzaak kunnen vinden.) Ik verzwak, val neer. Om de kinderen niet bang te maken, probeer ik rustig te blijven, maar van binnen voel ik een hevige paniek: Hoe moet dat met de kinderen?! Ik zal hen moeten loslaten. Maar ze zijn nog zo klein… Ik had zo graag nog veel langer voor hen willen zorgen. Redden ze het wel zonder mij? Ik huil heel hard. Nu, tijdens de herbeleving, kan ik die emoties eruit gooien. Daarna word ik rustig. Ik geef de jongen opdracht het meisje aan de hand mee te nemen. ‘Niet loslaten!’, druk ik hem op het hart. Ze moeten teruglopen naar ons houten huisje, waar mijn zus (hé, had ik een zus?) zich over hen ontfermd. Zij heeft zelf geen kinderen en wil graag voor hen zorgen, weet ik. ‘Komen ze daar aan?’, vraagt Ron. En ja, ik zie hoe die zus de kinderen met uitgestrekte armen opvangt.
Ik begrijp dat ik ga sterven, hoe jammer het ook is. Maar dat valt nog niet mee. Ik blijf worstelen met het verdriet en de spijt om mijn kindjes. Het voelt alsof mijn keel wordt dichtgeknepen. Dan zie ik een wittig licht. ‘Ga daar maar naartoe’, moedigt Ron me aan. Het gaat moeizaam, maar het lukt. Ik kan uit mijn lichaam en stijg tot boven de wolken. Van hieruit kan ik het gefriemel op aarde mooi overzien. Ik kan inzoomen op het leven van Cindy dat ik net verlaten heb en op het leven van de tweejarige Ineke, waar ik terecht kom als ik weer zou afdalen. Vanuit hier kan ik alles prima relativeren. Ik kan de levens en de mensen die daarin van betekenis zijn, loslaten. Ik begrijp nu ook dat dit de weg is die mijn overleden moeder is gegaan, en ik kan daar vrede mee hebben. Dit gevoel moet ik onthouden!
Ron stelt voor om nog even te kijken wat er met mijn lichaam gebeurt. Ik zie hoe drie mannen het wegdragen. Thuis lig ik nog even opgebaard. De kindjes staan bedroefd naar me te kijken tot mijn zus haar handen op hun schouders legt en hen wegvoert. Dit is een heel verdrietig moment. Ze nemen afscheid van mijn dode lichaam. Ik word begraven bij de bloemenwei, dat is een mooie plek. Ik ben ervan overtuigd dat het goed komt met mijn kinderen. Tot slot mag ik een wijze mentor erbij roepen. Daar staat mijn vader al klaar. Hij weet me te vertellen dat ik in mijn huidige leven geen hartkwaal heb en hij benadrukt dat Cindy er niets aan kon doen dat ze zo vroeg dood ging. En ja, benadrukt hij, je kunt je kinderen loslaten, want jij bent niet onmisbaar. Er zijn ook anderen die voor hen kunnen zorgen.
Loslaten blijkt mijn grote thema te zijn. Voor Cindy was dit erg moeilijk en haar verdriet en spijt heb ik meegenomen naar mijn huidige leven. Onbewust ben ik bij elk afscheid bang dat het voor eeuwig zal zijn. En Cindy’s hartkwaal is als een lichamelijk symptoom bij me gebleven. Ron vraagt me te beseffen dat Cindy’s verdriet van haar is en niet van Ineke. Onbewust heb ik afscheid nemen gekoppeld aan doodgaan, omdat dat in Cindy’s leven is gebeurd. Maar in dit leven is dat verband er niet. Wat een geruststellende gedachte! Verder moet ik proberen te accepteren dat ik geen controle heb over wat er eventueel kan misgaan met mij of mijn dierbaren. Ik moet leren loslaten en vertrouwen hebben in het grotere geheel. Met die gedachte kan ik de trance met een gerust hart afsluiten. Eerst mijn tenen bewegen (even zoeken, waar zitten die ook alweer?) en dan kom ik stukje bij beetje weer in mijn lichaam. Ik voel nu pas hoe ver weg ik was. Phoe hé, wat was dit heftig! Ik moet echt even bijkomen, je gaat ook niet elke dag dood natuurlijk. En ik voel me opgelucht, het is tenslotte goed afgelopen. ‘Je leeft nog!’, lacht Ron.

Na afloop zit ik vol vragen. Was dit nou echt een vorig leven? Ron vindt dat ik dat zelf mag bepalen: “Je kunt het ook zien als een psychodrama, een verhaal dat jou iets te vertellen heeft.” Ik ben te moe om nog lang te praten. Ron raadt me aan alles eerst rustig op me in te laten werken en niet meteen conclusies te trekken. Bekaf kom ik thuis. Ik had niet verwacht dat ik zó onder de indruk zou zijn. Mijn man wacht me met een nieuwsgierige grijns op, maar ik heb even geen zin in grappen. Ik wil dit eerst laten bezinken. De dagen daarna raast er een grote schoonmaak door mijn lichaam: ik snuit honderd zakdoeken vol en krijg diarree. Kan toeval zijn, het heerst. De herbeleving blijft als een heftige droom in mijn gedachten hangen.
In de week die volgt beginnen er allemaal kwartjes te vallen. Of op zijn minst te rollen. De gebeurtenis met Cindy heeft veel raakvlakken met mijn huidige leven. Ik besef dat loslaten mij inderdaad grote moeite kost. Niet alleen in emotioneel opzicht, ook lichamelijk: na de geboorte van mijn kinderen kwam beide keren de placenta niet vanzelf los en ook de miskraam die ik kreeg, bleef in mijn buik vastzitten. Goh, zou dat echt een gevolg zijn van dat vorige leven? Ik vind het wel een fijne gedachte dat ik daar afstand van kan nemen. Maar hoe doe ik dat nou, dat loslaten? Ik vraag het Ron tijdens onze laatste afspraak. “Loslaten leer je door elke keer als je in een afscheidssituatie komt, te beseffen dat het Cindy’s verdriet is dat je voelt en niet het jouwe”, legt hij uit. “Jij hebt in feite geen reden om zo verdrietig te zijn. En je weet nu dat het allemaal toch wel goed komt, zelfs als er een naar afscheid plaatsvindt.” Dat is waar, want ik ben in een leuk nieuw leven terecht gekomen. Iets vasthouden wat niet vastgehouden kan worden werkt belemmerend benadrukt Ron:”een vlinder die op een mooie bloem zit geniet van het moment, zonder deze bloem vast te willen houden.” Na verloop van tijd kan ik me steeds beter vinden in deze gedachtegang. Ik ben blij met het inzicht dat ik heb opgedaan. Het lijkt wel alsof ik meer kan relativeren en bewuster blij ben met mijn gezinnetje. Elke nacht kruip ik dicht tegen mijn man aan, om te voelen hoe fijn het is dat hij bij me is. Mijn kinderen probeer ik wat meer als individuen met een eigen leven te zien en dan valt er gelukkig nog genoeg te zorgen. Misschien houd ik het met hun eerstvolgende logeerpartijtje nog niet helemaal droog, maar ik weet nu wel hoe ik mezelf gerust kan stellen. Ik sta daar echt achter. Rest me nog de vraag over mijn linkerarm: tintelde die nou omdat ik in het leven van Cindy een hartstilstand kreeg? Of kreeg Cindy in mijn herbeleving een hartstilstand omdat ik een tintelarm heb? Wat was er eerder, de kip of het ei? Ik weet het niet en zal er misschien nooit achterkomen. Ron weet het ook niet. Hij benadrukt alleen dat je wel altijd naar een dokter moet gaan en niet alles op een vorig leven moet gooien, als je denkt dat je lichamelijk iets mankeert. Dat lijkt me in mijn geval niet nodig. Dus besluit ik dat er maar één ding op zit: niet te lang meer over piekeren, maar loslaten!

©kemink therapie & coaching leiden

 
design by CBM